De Universiteit van Cambridge staat bekend om haar onderzoek naar de manier waarop mensen beslissingen nemen en hoe de publieke opinie werkt. Twee onderzoeksgroepen van die instelling — het El-Erian Institute of Behavioural Economics and Policy en het Cambridge Political Psychology Lab — hebben nu de leden van het Britse Lagerhuis onder de loep genomen. Hun conclusie, gepubliceerd in het tijdschrift Communications Sustainability, is opvallend: parlementsleden van de drie grootste partijen overschatten stelselmatig hoeveel weerstand er onder de bevolking bestaat tegen belangrijke klimaatmaatregelen. Volgens de onderzoekers is dit mogelijk het eerste op data gebaseerde bewijs voor een zogenoemde “spiraal van stilzwijgen” in Westminster.
- 100 zetelende parlementsleden werden bevraagd over hoe kiezers en collega’s over klimaatbeleid denken.
- Bij een isolatiesubsidie schatten ze de tegenstand op 18%, terwijl die in werkelijkheid slechts 6% bedroeg.
- Politici die minder steun vermoeden, blijken minder geneigd het beleid publiekelijk te verdedigen.
Voor het onderzoek vroegen de wetenschappers aan 100 zetelende Lagerhuisleden hoe volgens hen zowel kiezers als andere parlementsleden denken over maatregelen om de uitstoot te verminderen. Die inschattingen werden vervolgens vergeleken met opiniepeilingen die eerder dat jaar onder de Britse bevolking waren gehouden.
Weerstand fors hoger ingeschat dan ze werkelijk is
Bij een voorstel om alle huishoudens met een energielabel C of lager toegang te geven tot subsidies of leningen voor betere isolatie, schatten de parlementsleden de publieke tegenstand gemiddeld op zo’n 18%. Uit de peilingen bleek die weerstand in werkelijkheid slechts 6% te bedragen — meer dan drie keer zo laag.
Ook bij het idee om productbelastingen te laten variëren naargelang de milieuschade zaten de politici ernaast: zij vermoedden een tegenstand van ongeveer 38%, terwijl de peilingen op 20% uitkwamen.
“Parlementsleden van verschillende partijen die klimaatbeleid steunen én die het afwijzen, overschatten consequent de publieke tegenstand”, zegt hoofdauteur dr. Lisa-Maria Tanase, die het onderzoek uitvoerde in het kader van haar doctoraat in Cambridge. “Dit beperkt waarschijnlijk het scala aan opties dat zij als politiek haalbaar beschouwen.”
Volgens Tanase kan de vertekening niet worden weggewuifd als wishful thinking of als het projecteren van de eigen wereldvisie. “Zelfs parlementsleden die een klimaatmaatregel steunen, denken gemiddeld dat het publiek er meer tegen is dan het in werkelijkheid is.” Ze wijst op de informatiestromen waaraan politici, net als iedereen, blootstaan: sociale media en traditionele media weerspiegelen volgens haar vooral de luidste stemmen in de samenleving in plaats van het volledige palet aan meningen. Ze spreekt van een “lachspiegeleffect” waardoor politici een vertekend beeld krijgen van de publieke houding.
Een verdeeldheid die veel groter lijkt dan ze is
De onderzoekers stelden ook een “valse polarisatie” vast: parlementsleden achten de Britse kiezers veel sterker verdeeld over klimaatbeleid dan ze in werkelijkheid zijn. Uit peilingen bleek een verschil van 12 procentpunt in steun tussen Labour- en Conservatieve kiezers, maar politici schatten dat verschil op ongeveer 25 procentpunt.
Het verschil tussen kiezers van de Liberal Democrats en de Conservatieven werd op 30 procentpunt geschat, terwijl de peilingen slechts 14 punten aangaven. Vooral bij Conservatieve kiezers werd de kloof overdreven: politici dachten dat zij gemiddeld 12,6 procentpunt minder steun gaven dan de algemene bevolking, terwijl dat verschil in werkelijkheid slechts 2,5 procentpunt bedroeg — een overschatting van ongeveer vijf keer.
“Milieubewuste Conservatieve kiezers kunnen zich uiteindelijk verkeerd vertegenwoordigd voelen als politici stelselmatig overdrijven hoezeer hun houding verschilt van die van andere kiezers”, waarschuwt Tanase.
Waarom een vertekend beeld politici doet zwijgen
Het meest verstrekkende gevolg ligt volgens de studie in wat de onderzoekers de “spiraal van stilzwijgen” noemen. De inschatting die een parlementslid maakt van de publieke steun voor een groene productbelasting bleek een voorspeller van zijn of haar bereidheid om die maatregel te verdedigen — zelfs na correctie voor de persoonlijke overtuiging van het parlementslid. Wie dacht dat de steun onder kiezers lager lag, was gemiddeld minder geneigd om publiekelijk voor de belasting op te komen.
Hetzelfde patroon gold voor de vermoede steun onder collega-parlementsleden: wie dacht dat er weinig draagvlak was in Westminster, zei minder bereid te zijn de maatregel te bepleiten, ongeacht de eigen mening. Dit effect was overigens niet zichtbaar bij de isolatiesubsidies, wat erop wijst dat het van maatregel tot maatregel verschilt.
Naast het overschatten van de tegenstand bleken parlementsleden ook de publieke steun te onderschatten: gemiddeld met zo’n 11 procentpunt. Voor de groene productbelasting ging het om 14,9 procentpunt en voor de energiebesparingsmaatregel om 7,1 procentpunt.
Opmerkelijk is hoe hardnekkig deze misvattingen zijn. Toen de onderzoekers willekeurig de helft van de parlementsleden de resultaten van de peilingen voorlegden en hen daarna vroegen de steun voor andere klimaatmaatregelen in te schatten, veranderde dat nauwelijks iets aan de onnauwkeurigheid van hun inschattingen.
Voor de bredere context is dat betekenisvol: het onderzoek laat zien dat politieke besluitvorming niet alleen wordt bepaald door wat kiezers écht willen, maar ook door wat politici dénken dat kiezers willen. Overschatting van weerstand leidt volgens Tanase tot meer risicomijdend gedrag dan wanneer politici het publiek simpelweg als onverschillig beschouwen — wat verklaart waarom ambitieus beleid soms blijft liggen, ook al is er draagvlak voor.
Herken je dit beeld ook bij het klimaatdebat in Nederland en Vlaanderen? Denk je dat politici hier eveneens de publieke steun voor groene maatregelen onderschatten? Laat het weten in de reacties.






























